Oud-leraar pater Albert Boone gelauwerd met Visser-Neerlandiaprijs

Michel Jappens

Pater Albert Boone s.j.

In zijn Heroides vertelt Ovidius ons de Griekse sage van Hero en Leander. Elke nacht zwom Leander de Hellespont (nu de Dardanellen) over, van zijn woonplaats Abydos naar Sestos, waar zijn geliefde Hero priesteres van Aphrodite (!) was. Als baken stak Hero altijd een lamp aan, maar op een nacht woei die uit door een hevige windstoot en Leander verdronk jammerlijk in zee. Een verloren liefde spreekt altijd tot de verbeelding en het is dan ook niet te verwonderen dat Hero en Leander in volksliederen bleven voortleven. Bij ons was dat het geval in de ballade van de twee koningskinderen : Het waren twee conincskinderen, Sy hadden malcander soo lief, Sy conden byeen niet comen, Het water was veel te diep. Lord Byron (1788-1824), die naar Hellas was gereisd om het Griekse volk bij te staan in zijn vrijheidsstrijd tegen de Turken, vroeg zich aan de oevers van de Hellespont af of het wel mogelijk was om daar over te zwemmen en nam de proef op de som. Met zijn succesvolle zwemtocht van Abydos naar Sestos bracht hij -de romanticus- hulde aan het realisme van de antieke sagenvertellers.

"Het lied van Heer Halewyn", wiens hoofd door een jonge maagd werd afgehouwen en "op de tafel gezet" is met grote waarschijnlijkheid in Vlaanderen ontstaan, maar bevat elementen die wortelen tussen Siberië en de Atlantische Oceaan. In één geval kunnen we de tocht van dit lied heel precies reconstrueren. Onder impuls van de Luikse prins-bisschop trokken immers groepen Waalse landbouwers vanaf de 11de eeuw naar Hongarije, waar ze de Magyaarse nomaden, die een sedentair leven waren begonnen in de Donauvlakte, de beginselen van de landbouw gingen leren. Hun Franstalige versie van onze Vlaamse ballade ligt zeker aan de oorsprong van de Hongaarse variant. Tot in de 15de eeuw zouden er drukke familiale, religieuze en economische betrekkingen bestaan tussen Hongarije en het Luikse, wat natuurlijk ook in de cultuur een weerslag had en voor de nodige wisselwerking zorgde. In de Hongaarse variant lezen we dat de man zijn hoofd in de schoot van de vrouw legt -wat duidelijk een oosters element is-, alvorens zij hem het hoofd afslaat. En zo kunnen we eindelijk de sinistere woorden begrijpen die het meisje in de Vlaamse ballade spreekt tot de moeder van Halewyn : Uw zoon Heer Halewyn is dood; Ik heb zijn hoofd in mijnen schoot.

Het Vlaamse Volkslied in Europa

"Het Vlaamse Volkslied in Europa" van de hand van pater Albert Boone bestaat uit twee delen van elk ca. 1000 pagina's. Het is niet zomaar een liederenbundel, zoals moge blijken uit bovenstaande alinea's, en is dus niet enkel bedoeld voor muziekspecialisten. Het is een boeiend boek dat onderzoek doet naar de oorsprong en de verspreiding van de Europese volksliederen en dat zich richt tot iedere algemeen-cultureel geïnteresseerde lezer. Aan de hand van ruim duizend liederen wordt aangetoond dat het volkslied heel Europa ronddoolde en overal sporen naliet. De volksliedzangers waren erg creatief en namen niet zomaar klakkeloos over: tekst en melodie werden met grote zwier en vindingrijkheid gewijzigd. De auteur toont de Europese verworteling van het Nederlandstalige volkslied door de liederen thematisch te bestuderen: balladen, legendeliederen, heiligenliederen, kalenderliederen, levensloopliederen, moordliederen, kinderliederen, enz. De Europese volksliederen vormen één grote familie waarbij thema's en motieven terug te vinden zijn van de Atlantische Oceaan tot de Oeral, van Scandinavië tot Sicilië. Alle beschikbare culturen komen in deze studie aan bod, ook de joodse, -wat uitzonderlijk is- met liederen in het Jiddisch en het Larlino (de taal van de sefardische Joden). De anderstalige teksten krijgen alle een vertaling die van grote taalvaardigheid en precisie getuigt.

Het is in 1972 dat pater A. Boone begonnen is met zijn studie van het volkslied. Hij beperkte zich al snel niet tot Vlaanderen en Nederland, maar bestudeerde ook volksliedverzamelingen uit onze buurlanden. Verder onderzoek bracht hem naar bibliotheken o.a. in Madrid, Wenen, Sofia en Kopenhagen. Hij legde allerlei contacten en kwam zo in het bezit van Portugese, Scandinavische, Russische en joodse collecties. Vaak stak het toeval een handje toe en vond hij een onbekend werk in een boekenstalletje langs de Seine in Parijs, in een antiquariaat in Sofia - of in de bibliotheek van een vrijgevige melomane kennis. Met de jaren ontstond een indrukwekkend archief en toen "Het Vlaamse Volkslied in Europa" eenmaal was gedrukt, rees de vraag wat met dit archief moest worden aangevangen. Het gaat hier immers om een unieke collectie die nergens anders kan worden gevonden. De verspreiding van de collectie over diverse geïnteresseerden moest absoluut vermeden worden. Aldus werd, met toestemming van Pater Provinciaal, beslist dit omvangrijke archief aan te bieden aan de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel. De Heer Yves Lenoir, hoofd van de afdeling muziek van deze bibliotheek, die een kijkje kwam nemen bij pater A. Boone in De Gesu, kon zijn ogen niet geloven en stamelde herhaaldelijk: "Et tout cela dans une petite chambre a Bruxelles I" En zo staat het "Fonds Albert Boone s.j." voortaan op de 4de verdieping van "de Albertina" ter beschikking van al wie muzikaal onderzoek doet.

De titel "Het Vlaamse volkslied in Europa" suggereert dat het boek uitsluitend Vlaamse liederen bevat. En dat is niet zo. Nederland is proportioneel vertegenwoordigd met b.v. schippers- en Terschellingerliederen (waaronder het quêstelied : Hier is onze fiere pinksterblom). Het is wél zo dat het zuiden beter vertegenwoordigd is dan het noorden. Maar dat komt omdat de productie van volksliederen bij ons nu eenmaal groter is geweest dan in het noorden. Pater A. Boone had oorspronkelijk de titel "De gouden lier" voor ogen, naar een ode van Pindaros: Goudene lier, gemeenschappelijk bezit van Apollo en van de zwartlokkige muzen. Maar uitgeverij Lannoo, die overigens een pluim verdient voor de uitgave van dit werk, zag die titel verkoopsmatig niet zitten. "Het Nederlandse volkslied in Europa" was om dezelfde redenen even problematisch, want die titel klonk nogal Hollands voor een uitgeverij die haar verkoopppunten vooral in Vlaanderen heeft. Jammer, I Florimond (zoon van Prudens I) Van Duyse kon in het begin van de 20e eeuw zijn werk nog probleemloos "Het oude Nederlandse Lied" (4 delen, 1904-1907) noemen. Een Grootnederlander vindt die titel uiteraard ideaal.

Het Algemeen Nederlands Verbond wenste hoe dan ook een ANV -Visser-Neerlandiaprijs voor persoonlijke verdienste op het gebied van cultuur uit te reiken aan pater A. Boone voor dit uitzonderlijke standaardwerk. Het bestuur van het ANV constateerde immers dat een dergelijk diepgaand en omvattend werk slechts tot stand kon komen dankzij "een uitzonderlijke volharding, sterke wil en bijzondere plichtsbetrachting". Vooral werd gewaardeerd dat het Nederlandse volkslied in een Europese context geplaatst werd en dat het werk aldus een Europese dimensie verleent aan een belangrijk deel van onze Nederlandstalige volkscultuur. Een deel van het prijzengeld zal worden aangewend voor de aankoop van een aantal exemplaren van het werk, die dan verspreid worden onder leerstoelen Nederlands en universiteiten in het buitenland waar Nederlands wordt gedoceerd.

De feestelijke viering van de auteur vond plaats op zaterdag 10 november 2001 in de jezuïetenresidentie De Gésu te Brussel. De laudatio was toevertrouwd aan een geïnspireerde Vic Nees, die uitvoerig en fijnzinnig uitlegde hoe het werk is ontstaan dankzij de onverdroten inzet van de auteur die daartoe heel Europa doorkruiste, zelfs op een bepaald moment zijn reeds uitgebreide talenkennis aanvulde met Deens en Bulgaars, en die bij al zijn inspanningen dertig jaar lang financieel en moreel werd gesteund door zijn orde waarvan hij met fierheid steeds de letters s.j. achter zijn naam vermeldt.

Daarna werd de prijs uitgereikt door de voorzitter van het ANV, dr. Els Ruysendaal. Zij lichtte op heldere wijze toe hoe de Heer H.L. Visser bij testament de toekenning van de prijzen toevertrouwde aan het ANV en hoe hij de waarde beklemtoonde van het individu dat functioneert en zich affirmeert in en tegen de maalstroom van de maatschappij en de geschiedenis. Het individu pater A. Boone past volgens haar dus naadloos in deze visie en verdient daarom de prijs voor persoonlijke verdienste.

Het spreekt vanzelf dat een dag als deze werd opgeluisterd met muziek. Het meisjeskoor Aloeëtte uit Oudenaarde zong, hemels fris, een aantal volksliederen onder leiding van dirigent Johan Jourquin en wekte algemene bewondering met de uitvoering van Vic Nees' Liermolen, een suite van zeven Europese molenaarsliederen voor gelijke stemmen met harp (Anne-Marie Neuhard). Daarna kwam het dankwoord van pater A. Boone, dat wegens diens sterk verminderde gezichtsvermogen werd voorgelezen door oud-leraar Roger Somers. Tenslotte volgde een stemmige receptie in de brede gang en de aanpalende salonnetjes van De Gésu.

Voor ons was er reden om mee te vieren en het college was dan ook met leraars en oud-leerlingen duidelijk aanwezig. Pater A. Boone was poësisleraar op het college van 1950 tot 1958. Hij was actief in het Brussels Knapenkoor van 1950 tot 1966 als repetitor van de tenoren en verscheidene jaren zelfs als dirigent. Menig oud-leerling zal zich hem ook nog herinneren als (mede)regisseur van het collegetoneel, o.a. Aladdin en de Wonderlamp, De edele Here van Maldegem, Goederik.

Eigenlijk zou pater A. Boone de woorden van Horatius in de mond kunnen nemen: Exegi momumentum aere perennius ! Maar dat bestempelt onze gelauwerde auteur als pure ijdelheid. Mag een beetje ijdelheid dan niet ? "Ik hoed mij daarvoor," zegt hij fijntjes, " men beweert dat de ijdelheid ons pas verlaat een kwartier na het overlijden !" Laat ons hier dan schrijven dat het college trots is op een oud-leraar die zulke prestatie heeft verricht. Een beetje trots kan echt geen kwaad !